Historie en buitenplaatsen
Stichtse Vecht heeft prachtige landschappen, veel erfgoed, historische dorpen, buitenplaatsen, oude boerderijen en forten.
Kenmerkend voor onze gemeente zijn de buitenplaatsen. In de 17e en 18e eeuw werden deze gebouwd als zomerhuis door rijke Amsterdammers. Hier, op het gezonde platteland, konden zij de warme en vieze stad ontvluchten. Ooit stonden er wel 200 -grote en kleinere- buitenplaatsen langs de Vecht. Dat zijn er nu nog 72. Hiermee is Stichtse Vecht (nog steeds) de gemeente met de meeste buitenplaatsen van Nederland.
Goudestein en Huydecoper
Goudestein was één van de eerste buitenplaatsen: een uitbreiding aan een oude boerderij. Deze werd gebouwd door architect Vingboons, in opdracht van Johan Huydecoper (die 7 keer burgemeester van Amsterdam was). Zijn zwager, Pieter Belten, liet tegelijkertijd door Jacob van Campen buitenplaats Huys ten Bosch bouwen. Ook dit was een verbouwing van een ouder gebouw. Beide architecten introduceerden het Hollands Classicisme in Nederland, een stijl die geïnspireerd was op Italiaanse Renaissance villa’s.
Niet altijd was de verbouwing zo grootschalig. In eerste instantie werd vaak een ‘herenkamer’ tegen een boerderij aangebouwd, waar de eigenaar tijdelijk kon verblijven. Deze hofstedes zijn vaak doorontwikkeld tot buitenplaats.
Amsterdams buiten
Voor veel Amsterdammers was de Vechtstreek populair: het was dicht bij Amsterdam en bood veel rust, ruimte en frisse lucht. Ook was het gebied interessant omdat ondernemers en kooplui er geld konden verdienen. Boerderijen met veel land en baksteen- en dakpanfabriekjes vormden een goede investering. De aanleg van een jaagpad in 1628 en het afsnijden van een paar Vechtbochten maakte de reis korter en aantrekkelijker: In 4 uur kon men vanuit de stad bij de buitenplaats zijn. De reis ging van de Amstel via binnenwateren als de Holendrecht en de Angstel naar de Nieuwe Wetering. Hier, bij Nieuwersluis, kwam men op de Vecht.
2 keer per jaar vond een grote verhuizing plaats, want veel meubels, linnengoed, servies en schilderijen werden in mei van uit het grachtenpand meegenomen naar de buitenplaats, en in de herfst weer terug.
De buitenplaatsen zorgden er met hun nutstuinen, karpervijvers en boomgaarden voor dat de eigenaren in de stad het hele jaar gezond voedsel hadden. Het lustoord was tegelijkertijd een bron van werkgelegenheid. Dienstboden, tuinmannen, koks en koetsiers vervulden het huishouden. Daarnaast werd de buitenplaats meer en meer een statussymbool, gebruikt om indruk op de relaties te maken.
1672/1673
Het Rampjaar 1672/1673 was funest voor de Vechtstreek. De Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden werd aangevallen door onder andere Frankrijk. Op hun weg naar Amsterdam werden de Fransen tegengehouden bij de Nieuwersluis, onder andere door het in werking stellen van de Oude Hollandse Waterlinie. Op de terugweg brandden de Fransen uit woede hele dorpen, kastelen en buitenplaatsen plat.
Hierna nam de bouw van buitenplaatsen pas echt een vlucht. Verwoeste buitenplaatsen werden gerestaureerd of opnieuw opgebouwd. Nieuwe huizen werden gebouwd. De rokende ruïnes van een aantal kastelen, waarvan de adellijke eigenaren de herbouw niet konden of wilden betalen, werden gekocht door de nieuwe rijken uit Amsterdam. Deze konden met de herbouw van zo’n gebouw status krijgen en vaak ook een ambachtsheerlijke titel, die verbonden was aan het kasteel. De (meest Utrechtse) adel werd zo verdrongen. Alleen de kastelen Zuylen, Cronenburgh, Bolenstein en Nederhorst bleven door adellijke eigenaren bewoond. In tegenstelling tot adellijke kastelen, die van generatie op generatie werden overgeërfd, verkochten de kooplieden hun buitenplaats vaak al na één generatie, zo’n 9 jaar.
Verval en bloei
Na de bloei van de Gouden Eeuw volgden slechtere tijden. Nederland raakte eind 18e eeuw in een crisis en veel eigenaren verkochten hun zomerhuis voor de sloop. Het onderhoud van de formele, symmetrische tuinen met al hun geschoren heggen was erg kostbaar. Hierdoor, en door de opkomende Romantiek, werden zij vervangen door landschappelijk aangelegde parken met veel verschillende soorten bomen met vijvers en parkweiden. Zo ontstonden parken die heel natuurlijk leken, maar eigenlijk helemaal gepland zijn.
Buitenplaatsen die niet gesloopt werden kregen vaak een functie als kostschool of fabriek. Vanaf de jaren ’70 van de 20e eeuw keerde het tij en werden de verwaarloosde buitenplaatsen gekocht door particulieren die ze opknapten. Nu is nog 1/3e over van de oorspronkelijke buitenplaatsen, veel nog in particulier bezit. Zij staan vandaag te dag te stralen aan de oevers van de Vecht en laten de gouden tijden van vroeger herleven.
Theekoepels
Al vanaf de 17de eeuw is de Vecht bekend om zijn theekoepels. Ze zijn er in allerlei soorten en maten, en stammen voornamelijk uit de 18de en 19de eeuw. Deze romantische, historische theehuisjes waren onderdeel van de tuinen van de buitenplaatsen. Meestal staan ze direct aan de rivier of aan de weg en sommige hebben ook een botenhuisje onder de verblijfsruimte. Door de vele ramen had men een prachtig uitzicht over de omgeving en kon men ook door de langsvarende bootjes worden gezien. Zien en gezien worden, daar draaide het bij theekoepels om.
Anders dan de naam doet vermoeden, dronk men hier niet alleen thee, maar ook dikwijls een wijntje, cognac of een ander opwekkend drankje. Ook werd er muziek gemaakt, gelezen en geschreven, of rookte men er een pijp en speelde een spelletje.
Vaak waren de koepels van hout gemaakt. Door dit onderhoudsgevoelige en kwetsbare materiaal zijn in de loop van de tijd veel koepels verloren gegaan. Sommige koepels zijn verhuisd van de ene buitenplaats naar de andere. Zo is de koepel van Vecht en Dijk naar Gansenhoef verplaatst en is de koepel van Bolenstein in 1933 naar Beek en Hoff overgebracht.
Aan veel koepels is in de loop van de eeuwen behoorlijk gesleuteld, waardoor het moeilijk is het bouwjaar te bepalen. Ook zijn de huidige koepels vaak de tweede of derde koepel op dezelfde plek. Alleen van de koepel van VreedenHoff uit Nieuwersluis is de exacte bouwdatum bekend: 1776 staat te lezen op een ingemetselde steen.