Gemeenschappelijke regeling Belastingsamenwerking SWW-gemeenten

Home > Bestuur > Bekendmakingen > Verordeningen en beleid > Gemeenschappelijke regeling Belastingsamenwerking SWW-gemeenten

Gemeenschappelijke regeling Belastingsamenwerking SWW-gemeenten

Gegevens bekendmaking
Soort bekendmaking: Verordeningen en beleid
Bekendmaking heeft betrekking op: Geheel Stichtse Vecht

De colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Stichtse Vecht, Weesp en Wijdemeren

Overwegende dat:

De colleges van burgemeester en wethouders van gemeenten Stichtse Vecht, Weesp en Wijdemeren besloten hebben hun krachten te bundelen op het terrein van beleidsvoorbereiding en uitvoeringstaken en ondersteunende processen bij het heffen en invorderen van gemeentelijke belastingen (inclusief gegevensbeheer) alsmede de uitvoering van de wet WOZ.

Gelet op:

Hoofdstuk I van de Wet gemeenschappelijke regelingen artikel 232, lid 4 Gemeentewet artikel 30, lid 8 Wet waardering onroerende zaken, en titel 10.1 Algemene wet bestuursrecht

Besluiten:

de navolgende gemeenschappelijke regeling te treffen:

Gemeenschappelijke regeling Belastingsamenwerking SWW-gemeenten

Hoofdstuk 1: Algemene bepalingen

Artikel 1: Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

a. bestuur: bestuur van de bedrijfsvoeringsorganisatie, bedoeld in artikel 14a van de Wet gemeenschappelijke regelingen;

b. colleges: colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten;

c. gemeenten: gemeenten Stichtse Vecht, Weesp en Wijdemeren;

d. bedrijfsvoeringsorganisatie: bedrijfsvoeringsorganisatie, bedoeld in artikel 3;

e. raden: gemeenteraden van de gemeenten;

f. regeling: Gemeenschappelijke regeling Belastingsamenwerking SWW-gemeenten;

g. gegevensbeheer: het beheren van de WOZ-gegevens en gegevens gemeentelijke belastingcapaciteit.

Artikel 2: Belang

De regeling wordt getroffen ter uitvoering van de belangen van de deelnemers op het gebied van:

a. de heffing en invordering van belastingen;

b. de uitvoering van de Wet waardering onroerende zaken, waaronder tevens wordt begrepen de administratie van vastgoedgegevens en het verstrekken van vastgoedgegevens aan de deelnemers.

Artikel 3: Bedrijfsvoeringsorganisatie

1. Er is een bedrijfsvoeringsorganisatie, genaamd Belastingsamenwerking SWW-gemeenten.

2. De bedrijfsvoeringsorganisatie is gevestigd te Weesp.

Hoofdstuk 2: Bestuur

Artikel 4: Het bestuur

1. Het bestuur bestaat uit drie leden. De colleges wijzen uit hun midden ieder één lid van het bestuur aan.

2. Ieder lid van het bestuur heeft één stem.

3. De colleges wijzen voor ieder door hen aangewezen lid tevens een plaatsvervangend lid uit hun midden aan, dat het lid bij afwezigheid in het bestuur kan vervangen.

4. Alle bevoegdheden bij of krachtens enige wet van toepassing op de bedrijfsvoeringsorganisatie of zijn bestuursorganen komen toe aan het bestuur. Het bestuur kan bevoegdheden mandateren, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald of de aard van de bevoegdheid zich tegen de mandaatverlening verzet.

5. Voor het tot stand komen van een besluit bij stemming wordt volstrekte meerderheid vereist van hen die een stem hebben uitgebracht, tenzij in de regeling anders is bepaald.

6. Een stemming is alleen geldig indien meer dan de helft van het aantal leden dat zitting heeft en zich niet van deelneming aan de stemming moet onthouden daaraan heeft deelgenomen.

Artikel 5: Reglement van orde

1. Het bestuur stelt een reglement van orde voor zijn vergaderingen en werkzaamheden vast.

2. Het bestuur vergadert jaarlijks tenminste tweemaal.

3. Artikel 22, eerste lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 6: Voorzitter

1. Het bestuur wijst uit zijn midden een voorzitter aan.

2. De voorzitter ondertekent de stukken die van het bestuur uitgaan.

3. De voorzitter is verantwoordelijk voor de voorbereiding van de vergaderingen van het bestuur en tevens voor de vergaderorde binnen het bestuur, onverminderd het bepaalde bij of krachtens artikel 5.

4. Het bestuur kan de voorzitter machtigen om namens het bestuur te handelen.

5. Het bestuur regelt de vervanging van de voorzitter.

6. De voorzitter kan door het bestuur ontheven worden van zijn functie.

Artikel 7: Secretaris

1. Het bestuur benoemt, schorst en ontslaat de secretaris.

2. De secretaris is bij de vergaderingen van het bestuur aanwezig en staat het bestuur bij in de uitvoering van zijn taken.

3. De secretaris medeondertekent de stukken die van het bestuur uitgaan.

4. Het bestuur regelt de vervanging van de secretaris.

5. De leden 1, 2 en 3 zijn van overeenkomstige toepassing op degene die de secretaris vervangt.

Artikel 8: Overige bestuursorganen

Het samenwerkingsverband heeft een of meer heffingsambtenaren, invorderingsambtenaren, ambtenaren van de bedrijfsvoeringsorganisatie en belastingdeurwaarders.

Artikel 9: Heffingsambtenaar

1. De heffingsambtenaar heeft ter zake van de belastingen en de Wet waardering onroerende zaken de bevoegdheden die bij of krachtens de Algemene wet inzake rijksbelastingen, Invorderingswet 1990, de Kostenwet invordering rijksbelastingen, de Gemeentewet, de Wet Milieubeheer of de Wet waardering onroerende zaken zijn toegekend aan de inspecteur, respectievelijk de ambtenaar belast met de heffing van de deelnemers.

2. Bij de uitoefening van de bevoegdheden als bedoeld in het eerste lid neemt de heffingsambtenaar de nadere regels van het bestuur in acht en houdt hij rekening met de beleidsregels die het bestuur heeft geformuleerd ter zake van de uitoefening van zijn bevoegdheid.

Artikel 10: Invorderingsambtenaar

1. De invorderingsambtenaar heeft ter zake van de belastingen en de Wet waardering onroerende zaken de bevoegdheden die bij of krachtens de Algemene wet inzake rijksbelastingen, Invorderingswet 1990, de Kostenwet invordering rijksbelastingen, de Gemeentewet, de Wet Milieubeheer of de Wet waardering onroerende zaken (WOZ) zijn toegekend aan de ontvanger, respectievelijk de ambtenaar belast met de invordering van de deelnemers.

2. De invorderingsambtenaar beslist niet tot het voeren van een executieprocedure in eerste aanleg en niet tot het instellen van hoger beroep en cassatie, dan nadat hij het bestuur van zijn voornemen op de hoogte heeft gesteld.

3. Bij de uitvoering van de bevoegdheden als bedoeld in het eerste en het tweede lid neemt de invorderingsambtenaar de kwijtscheldingsregels van de desbetreffende gemeente en de nadere regels van het bestuur in acht, alsmede houdt hij rekening met de beleidsregels van het bestuur ter zake van de uitoefening van zijn bevoegdheid.

Artikel 11: Ambtenaar van de bedrijfsvoeringsorganisatie

1. De ambtenaar van de bedrijfsvoeringsorganisatie heeft ter zake van de belastingen en de Wet waardering onroerende zaken de bevoegdheden die bij of krachtens de Algemene wet inzake rijksbelastingen, Invorderingswet 1990, de Kostenwet invordering rijksbelastingen, de Gemeentewet, de Wet Milieubeheer of de Wet waardering onroerende zaken zijn toegekend aan de ontvanger, respectievelijk de ambtenaar belast met de heffing of invordering van de deelnemers als bedoeld in artikel 232, lid 2 onder d van de Gemeentewet.

2. Bij de uitvoering van de bevoegdheden als bedoeld in het eerste en het tweede lid neemt de invorderingsambtenaar de kwijtscheldingsregels van de desbetreffende gemeente en de nadere regels van het bestuur in acht, alsmede houdt hij rekening met de beleidsregels van het bestuur ter zake van de uitoefening van zijn bevoegdheid.

Artikel 12: Belastingdeurwaarder

1. De belastingdeurwaarder heeft ter zake van de belastingen en de Wet waardering onroerende zaken de bevoegdheden die bij of krachtens de Algemene wet inzake rijksbelastingen, Invorderingswet 1990, de Kostenwet invordering rijksbelastingen, de Gemeentewet, de Wet Milieubeheer of de Wet waardering onroerende zaken zijn toegekend aan de belastingdeurwaarder.

2. Bij de uitvoering van de bevoegdheden als bedoeld in het eerste en het tweede lid neemt de invorderingsambtenaar de kwijtscheldingsregels van de desbetreffende gemeente en de nadere regels van het bestuur in acht, alsmede houdt hij rekening met de beleidsregels van het bestuur ter zake van de uitoefening van zijn bevoegdheid.

Hoofdstuk 3: Taken en verantwoording

Artikel 13: Taken

1. Het bestuur van bedrijfsvoeringsorganisatie voert voor de gemeenten taken uit op het gebied van het heffen en invorderen van gemeentelijke belastingen (inclusief gegevensbeheer) alsmede de uitvoering van de wet WOZ.

2. De taken die krachtens dit artikel worden opgedragen, worden door het bestuur bijgehouden in een register.

3. In een dienstverleningsovereenkomst tussen een college van burgemeester en wethouders van een van de gemeenten en het bestuur van de bedrijfsvoeringsorganisatie wordt per taakgebied of per taak uitwerking gegeven. De bedrijfsvoeringsorganisatie werkt de dienstverleningsrelatie nader uit en in de dienstverleningsovereenkomst worden in ieder geval geregeld:

a. de basistaken die voor elke gemeente structureel door de bedrijfsvoeringsorganisatie moeten worden uitgevoerd;

b. de voorwaarden voor de taakuitvoering en wijziging van het onder a. bedoelde takenpakket;

c. de wijze waarop en de voorwaarden waaronder een college het volume aan taken kan verminderen;

d. de voorwaarden voor uitvoering van andere, incidentele taken;

e. de aansprakelijkheid, wijze van verzekering en de procedure van geschillenbeslechting met betrekking tot de taakuitoefening;

f. de financiële verrekening van de dienstverlening, en

g. een voorziening in geval de bedrijfsvoeringsorganisatie of een of meerdere gemeenten niet aan de aan hen gestelde voorwaarden voldoen.

4. De dienstverleningsovereenkomst komt niet te vervallen door wijziging van de regeling.

Artikel 14: Overdracht van bevoegdheden

1. Het bestuur van de bedrijfsvoeringsorganisatie is bevoegd tot regeling en bestuur ter behartiging van die belangen die aan de bedrijfsvoeringsorganisatie zijn opgedragen.

2. De colleges van de deelnemende gemeenten dragen aan het bestuur van de bedrijfsvoeringsorganisatie over de bevoegdheid tot heffing en invordering van de gemeentelijke belastingen zoals opgenomen in bijlage 1.

3. De colleges van de deelnemende gemeenten dragen aan de bedrijfsvoeringsorganisatie over de uitvoering van de Wet waardering onroerende zaken.

4. Het bestuur is bevoegd tot aanwijzing van een of meer ambtenaren als heffingsambtenaar, invorderingsambtenaar, ambtenaar van de bedrijfsvoeringsorganisatie en belastingdeurwaarder.

Artikel 14a Uitbreiding of andere wijzigingen van bevoegdheden

1. Het college van een deelnemende gemeente kan de bevoegdheid tot heffing en invordering van andere gemeentelijke belastingen dan bedoeld in artikel 13 overdragen aan de bedrijfsvoeringsorganisatie.

2. Het college van een deelnemende gemeente kan taken en bevoegdheden in het kader van basisadministraties of basisregistraties overdragen aan de bedrijfsvoeringsorganisatie.

3. Het bestuur neemt hetgeen dat op grond van de vorige leden is overgedragen, op in een register bij de gemeenschappelijke regeling en zendt deze ter kennisname aan de colleges en aan gedeputeerde staten, overeenkomstig artikel 26, vierde lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen.

Artikel 15: Verantwoording

1. Het bestuur verstrekt de raden de door een of meer leden van die raden gevraagde inlichtingen. De inlichtingen worden schriftelijk verstrekt.

2. Een lid van het bestuur legt aan het college dat hem heeft aangewezen verantwoording af over het door hem in het bestuur gevoerde beleid. Het lid kan zowel mondeling als schriftelijk verantwoording afleggen.

3. Een lid van het bestuur verstrekt het college dat hem heeft aangewezen alle door een of meer leden van dat college gevraagde inlichtingen. De inlichtingen worden mondeling of schriftelijk verstrekt.

4. Het tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de raden.

5. Een lid van het bestuur kan door het college dat hem heeft aangewezen worden ontslagen indien dit lid niet langer het vertrouwen van dat college bezit.

Hoofdstuk 4: Personeel

Artikel 16: Ambtelijke organisatie

1. De bedrijfsvoeringsorganisatie heeft een ambtelijke organisatie, onder leiding van de directeur. De secretaris, bedoeld in artikel 7, is tevens directeur.

2. De directeur werkt onder verantwoordelijkheid van het bestuur en is verantwoording schuldig aan het bestuur.

3. De verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de directeur kunnen worden vastgelegd in een directiestatuut. Het directiestatuut wordt vastgesteld door het bestuur.

4. Ambtenaren van de bedrijfsvoeringsorganisatie worden benoemd, geschorst en ontslagen door het bestuur. Artikel 4 van de Gemeentewet is van overeenkomstige toepassing.

5. Het bestuur stelt regels over de ambtelijke organisatie, waaronder de rechtspositionele regelingen als bedoeld in de Ambtenarenwet.

Hoofdstuk 5: Financiën

Artikel 17: Gemeentewet

De artikelen 186 tot en met 213 van de Gemeentewet zijn van overeenkomstige toepassing, voor zover daarvan bij of krachtens de Wet gemeenschappelijke regelingen niet is afgeweken.

Artikel 18: Financiële verantwoordelijkheid

1. De gemeenten dragen er zorg voor dat de bedrijfsvoeringsorganisatie te allen tijde over voldoende middelen beschikt om aan al zijn verplichtingen jegens derden te kunnen voldoen.

2. Indien een gemeente weigert deze uitgaven op de gemeentelijke begroting te zetten, dan doet het bestuur onverwijld aan gedeputeerde staten van Noord-Holland onderscheidenlijk Utrecht het verzoek over te gaan tot toepassing van de artikelen 194 en 195 van de Gemeentewet.

3. Het bestuur stelt een bijdrageverordening vast, waarin in elk geval wordt geregeld op welke wijze en in welke mate de gemeenten financieel bijdragen aan de middelen van de bedrijfsvoeringsorganisatie.

Artikel 19: Kadernota

Het bestuur zendt uiterlijk 15 april van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, de algemene financiële en beleidsmatige kaders aan de raden.

Artikel 20: Zienswijzenprocedure en vaststelling begroting

1. De colleges stellen gezamenlijk een ontwerpbegroting op die door het bestuur wordt vastgesteld en in procedure wordt gebracht

2. Het bestuur zendt de ontwerpbegroting ten minste acht weken voordat deze wordt vastgesteld toe aan de raden.

3. De ontwerpbegroting wordt door de zorg van de colleges voor een ieder ter inzage gelegd en, tegen betaling van de kosten, algemeen verkrijgbaar gesteld.

4. De raden kunnen bij het bestuur hun zienswijze over de ontwerpbegroting naar voren brengen.

5. Het bestuur stelt de begroting vast in het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient.

6. Na vaststelling van de begroting zendt het bestuur de begroting aan de raden, die ter zake bij gedeputeerde staten van Noord-Holland hun zienswijze naar voren kunnen brengen.

7. Het bestuur zendt de begroting binnen twee weken na vaststelling, doch in ieder geval voor 1 augustus van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, aan gedeputeerde staten van Noord-Holland.

8. Het bepaalde in het tweede, derde, vierde en zesde lid is van overeenkomstige toepassing op besluiten tot wijziging van de begroting, met uitzondering van die wijzigingen van de begroting waarbij geen wijziging wordt gebracht in de bijdragen van de gemeenten. Het bepaalde in het vierde en zesde lid is van toepassing, met dien verstande dat wijzigingen in de begroting ook kunnen worden vastgesteld gedurende het jaar waarvoor de begroting geldt. In dat geval behoeft inzending aan gedeputeerde staten niet voor 1 augustus plaats te vinden.

Artikel 21: Jaarrekening en jaarverslag

1. Het bestuur stelt de jaarrekening en jaarverslag vast in het jaar volgende op het jaar waarop deze betrekking heeft.

2. Het bestuur zendt voor 15 april van het jaar na het jaar waarvoor de jaarrekening dient, een voorlopige jaarrekening en jaarverslag aan de raden.

3. Het bestuur zendt de jaarrekening en jaarverslag binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder geval voor 15 juli van het jaar volgende waarop de jaarrekening betrekking heeft, aan gedeputeerde staten van Noord-Holland en Utrecht.

Hoofdstuk 6: Bepalingen over de regeling

Artikel 22: Duur

De regeling wordt voor onbepaalde tijd getroffen.

Artikel 23: Toetreding

1. Een college van burgemeester en wethouders van een gemeente kan een verzoek tot toetreding richten aan het bestuur. Het bestuur zendt het verzoek onverwijld door aan de colleges. Het bestuur kan zijn eigen advies omtrent de toetreding meezenden aan de colleges.

2. De toetreding komt tot stand indien de colleges en het college van burgemeester en wethouders dat wenst toe te treden met de toetreding hebben ingestemd, na verkregen toestemming van hun eigen gemeenteraad, als bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen.

3. De toetreding treedt in werking op een in het toetredingsbesluit te bepalen moment.

4. Het bestuur kan vooraf voorwaarden verbinden aan de toetreding. Deze voorwaarden worden bekendgemaakt aan de colleges en het college van burgemeester en wethouders dat wenst toe te treden, alvorens zij tot besluitvorming in de zin van het tweede lid kunnen overgaan.

Artikel 24: Wijziging

1. Het bestuur kan een voorstel voor wijziging van de regeling aan de colleges zenden.

2. Ieder college kan een gemotiveerd verzoek tot wijziging aan het bestuur zenden. Het bestuur zendt het verzoek, voorzien van zijn advies, door aan de colleges.

3. De regeling is gewijzigd indien de colleges unaniem met de wijziging instemmen, onverminderd en met in achtneming van het bepaalde in artikel 1, tweede en  derde lid, en artikel 26 en 27 van de Wet gemeenschappelijke regelingen.

Artikel 25: Uittreding

1. Een college van burgemeester en wethouders van een van de gemeenten kan een verzoek tot uittreding aan het bestuur zenden.

2. Het bestuur zendt het verzoek, bedoeld in het eerste lid, voorzien van een door een onafhankelijke deskundige opgesteld en door het bestuur vastgesteld liquidatieplan, als ware er sprake van opheffing, aan de colleges.

3. Het college van burgemeester en wethouders dat wenst uit te treden, draagt de kosten voor het opstellen van het liquidatieplan en geeft hiertoe, in overeenstemming met het bestuur, de opdracht aan de onafhankelijke deskundige.

4. Het college van burgemeester en wethouders dat wenst uit te treden, besluit, na verkregen toestemming van zijn raad, of tot uittreding wordt overgegaan.

5. Het college van burgemeester en wethouders dat besloten heeft tot uittreding draagt de kosten die reëel met de uittreding verbonden zijn.

6. De uittreding gaat in op een in het uittredingsbesluit van het uittredende gemeentebestuur te bepalen moment, dat voor de colleges van de gemeenten Stichtse Vecht, Weesp en Wijdemeren niet eerder ligt dan 2 jaar na het indienen van het verzoek, als bedoeld in het eerste lid, en voor toetredende colleges, overeenkomstig artikel 23 van deze regeling, niet eerder ligt dan 3 jaar na het indienen van het verzoek, bedoeld in het eerste lid. De uittreding kan slechts ingaan per 1 januari van een kalenderjaar.

Artikel 26: Opheffing

1. Het bestuur kan de colleges een voorstel doen tot opheffing van de regeling, al dan niet op verzoek van een van de colleges.

2. De regeling wordt opgeheven indien ten minste twee van de drie colleges daartoe besluiten.

3. Artikel 25, tweede en derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing op het voorstel, bedoeld in het eerste lid.

4. Indien de colleges besluiten te gaan deelnemen aan een andere gemeenschappelijke regeling voor de behartiging van belangen in het kader van bedrijfsvoering, verplichten zij zich in te spannen dat de nieuwe samenwerking de rechten en plichten van de bedrijfsvoeringsorganisatie zo veel als mogelijk overneemt.

Hoofdstuk 7: Slotbepalingen

Artikel 27: Inzenden regeling en bekendmaking

1. Het college van burgemeester en wethouders van de in artikel 3, tweede lid, genoemde gemeente zendt deze regeling aan gedeputeerde staten van Noord-Holland en Utrecht.

2. Het college, bedoeld in het eerste lid, draagt zorg voor de bekendmaking van de regeling in de gemeenten, onverminderd het bepaalde in artikel 26, tweede lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen.

3. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op besluiten tot het wijzigen van, toetreden tot of uittreden uit de regeling.

Artikel 28: Archief

1. Het bestuur is verplicht de onder hem berustende archiefbescheiden in goede, geordende en toegankelijke staat te brengen en te bewaren, alsmede zorg te dragen voor de vernietiging van daarvoor in aanmerking komende archiefbescheiden.

2. Overeenkomstig een door het bestuur vast te stellen verordening, welke aan gedeputeerde staten van Noord-Holland en Utrecht wordt medegedeeld, draagt het bestuur zorg voor de archiefbescheiden van de bedrijfsvoeringsorganisatie.

3. De kosten, verbonden aan de uitoefening van de in het tweede lid bedoelde zorg, komen ten laste van de bedrijfsvoeringsorganisatie.

4. Voor de bewaring van de op grond van artikel 12, eerste lid, en artikel 13, eerste lid, van de Archiefwet 1995 over te brengen archiefbescheiden wijst het bestuur een archiefbewaarplaats van een van de gemeenten aan.

5. Ten aanzien van het beheer van de archiefbescheiden van het bestuur, voor zover deze archiefbescheiden niet zijn overgebracht naar een archiefbewaarplaats, is, onder de bevelen van het bestuur, met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Archiefwet 1995 belast de archivaris. Met betrekking tot dit toezicht stelt het bestuur een reglement vast, welke aan gedeputeerde staten van Noord-Holland en Utrecht wordt medegedeeld.

6. De archivaris wordt door het bestuur benoemd, geschorst en ontslagen.

7. In afwijking van het vorige lid kan het bestuur ook de archivaris van de gemeente als bedoeld in het vierde lid aanwijzen als archivaris van de bedrijfsvoeringsorganisatie.

Artikel 29: Inwerkingtreding

1. Deze regeling treedt in werking op 1 januari 2018, onverminderd het bepaalde in artikel 27, tweede lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen.

2. Indien bekendmaking plaatsvindt na 1 januari 2018 treedt de regeling in werking met ingang van de eerste dag die volgt op die waarop het college als bedoeld in artikel 27, eerste lid, deze regeling bekend heeft gemaakt.

Artikel 30: Citeerwijze

De regeling wordt aangehaald als Gemeenschappelijke regeling Belastingsamenwerking SWW-gemeenten.

Aldus vastgesteld 19 december 2017

Burgemeester en wethouders van Stichtse Vecht,

gemeentesecretaris burgemeester

Aldus vastgesteld 21 november 2017

Burgemeester en wethouders van Weesp

gemeentesecretaris burgemeester

Aldus vastgesteld 19 december 2017

Burgemeester en wethouders van Wijdemeren

gemeentesecretaris burgemeester

Bijlage 1: Overdracht van bevoegdheden

De colleges van de deelnemende gemeenten dragen aan het bestuur van de bedrijfsvoeringsorganisatie over de bevoegdheid tot heffing en invordering van de volgende gemeentelijke belastingen:

Overdracht van bevoegdheden door Stichtse Vecht

  •  de onroerende-zaakbelasting, bedoeld in artikel 220 van de Gemeentewet;
  •  de roerende-zaakbelasting, bedoeld in artikel 221 van de Gemeentewet;
  •  de parkeerbelasting, bedoeld in artikel 225 van de Gemeentewet;
  •  de forensenbelasting, bedoeld in artikel 223 van de Gemeentewet;
  •  de toeristenbelasting, bedoeld in artikel 224 van de Gemeentewet;
  •  de hondenbelasting, bedoeld in artikel 226 van de Gemeentewet;
  •  de rioolheffing, bedoeld in artikel 228a van de Gemeentewet;
  •  de kadegelden en scheepvaartrechten, bedoeld in artikel 229 van de Gemeentewet;
  •  de afvalstoffenheffing, bedoeld in artikel 15.33 van de Wet milieubeheer
  •  de Bedrijfsinvesteringszone , bedoeld in artikel 1 lid 1 van de Wet op Bedrijven Investeringzones (BI-Zones)

Overdracht van bevoegdheden door Wijdemeren

  •  de onroerende-zaakbelasting, bedoeld in artikel 220 van de Gemeentewet;
  •  de roerende-zaakbelasting, bedoeld in artikel 221 van de Gemeentewet;
  •  de forensenbelasting, bedoeld in artikel 223 van de Gemeentewet;
  •  de toeristenbelasting, bedoeld in artikel 224 van de Gemeentewet;
  •  de hondenbelasting, bedoeld in artikel 226 van de Gemeentewet;
  •  de rioolheffing, bedoeld in artikel 228a van de Gemeentewet;
  •  het innen van de leges, bedoeld in artikel 229 van de Gemeentewet;
  •  de afvalstoffenheffing, bedoeld in artikel 15.33 van de Wet milieubeheer
  •  de Bedrijfsinvesteringszone, bedoeld in artikel 1 lid 1 van de Wet op Bedrijven Investeringzones (BI-Zones)

Overdracht van bevoegdheden door Weesp

  •  de onroerende-zaakbelasting, bedoeld in artikel 220 van de Gemeentewet;
  •  de roerende-zaakbelasting, bedoeld in artikel 221 van de Gemeentewet;
  •  de parkeerbelasting, bedoeld in artikel 225 van de Gemeentewet;
  •  de reclamebelasting, bedoeld in artikel 227 van de Gemeentewet;
  •  de precariobelasting, bedoeld in artikel 228 van de Gemeentewet;
  •  de rioolheffing, bedoeld in artikel 228a van de Gemeentewet;
  •  de leges, bedoeld in artikel 229 van de Gemeentewet;
  •  de marktgelden, bedoeld in artikel 229 van de Gemeentewet;
  •  de lijkbezorgingsrechten, bedoeld in artikel 229 van de Gemeentewet;
  •  de kadegelden en scheepvaartrechten, bedoeld in artikel 229 van de Gemeentewet;
  •  de afvalstoffenheffing, bedoeld in artikel 15.33 van de Wet milieubeheer
RSS